Ras: Australische Terriër
Oorsprong: Australië
Gehouden als: Jacht en gezinshond
Grootte: Ongeveer 35 cm
Gewicht: Tussen de 5,5-6-5 kg
Kleur: Black and tan en zandkleurig
Vachtsoort: Recht, hard en ong. 5 cm lang
Gem. Leeftijd: 14 Jaar
Geschiedenis:
De Australische Terriër (liefkozend "Aussie" genoemd) komt, zoals de naam al
doet vermoeden, uit Australië. Kolonisten uit Groot-Brittannië namen Schotse,
Sealyham, Skye en Dandie Dinmont Terriërs mee. Waarschijnlijk werden voor deze
kruisingen later ook nog Yorkshire, Manchester en Ierse Terriërs ingefokt tot er
een ras was ontstaan dat aan de behoefte ter plekke voldeed. De bedoeling was
een ras te fokken dat boerderijen,
stallen, mijnen e.d. vrij hield van
knaagdieren en slangen, waaks was, vriendelijk voor baas en gezin en gemakkelijk
in het onderhoud. Dat dit streven goed gelukt is, bewijst de hedendaagse Aussie
nog steeds.
Karakter:
Vriendelijk en opgewekt, temperamentvol, waaks, ontzettend slim en, zoals de
meeste terriërs, wat eigenwijs doordat hij zelfstandig moest werken. Vriendelijk
voor kinderen maar laat niet met zich sollen. Tamelijk druk en beweeglijk, wat
geen probleem is als er voldoende met de hond gewandeld en gespeeld wordt. Bij
boswandelingen opletten dat de hond niet een konijnenhol induikt. De Aussie moet
van jongs af aan vriendelijk doch vastberaden worden opgevoed. Hij is geschikt
om in een flat in de
stad te worden gehouden mits er dagelijks flink mee
gewandeld wordt of er uitgebreid met andere honden gerend en gespeeld kan
worden. De Aussie is klein en handzaam van formaat om meegenomen te worden en is
goedkoop in onderhoud.
Uiterlijk:
Een klein ras (schouderhoogte 25 cm.) maar ze voelen zich niet klein. Een vrij
lang snuitje, puntige oortjes en een alerte blik, een kuifje en een bontkraag,
het lijfje voorzien van een harde bovenvacht en een zachte ondervacht en een
kort staartje geven deze terriër een ondeugend en pittig uiterlijk. De kleuren
roodbruin of black and tan zijn de meeste voorkomende, blauwgrijs
of staalgrijs
kan ook. Witte vlekjes zijn niet toegestaan.
Algemeen voorkomen: Gedrongen, compact, robuust en tamelijk laag op de
benen. Vrij lang in verhouding tot de hoogte. Maakt, ondanks een zekere
verfijning, de indruk van een echte werkhond. Rond de nek is een kraag van haar,
die de hond een "ruig" uiterlijk geeft.
Vacht: Harde, dichte bovenvacht van ongeveer 6 cm. Korte, zachte
ondervacht. Snuit, onderbenen en voeten hebben kort haar. Kleuren: blauw,
staalblauw of donkergrijs blauw met diep tan. Ook zandkleurig of rood. De
verdeling van de kleur is voorgeschreven in de rasstandaard.
Gebruik: Oorspronkelijk gefokt als werkende hond in het ruige
Australische landschap.
Ook om op te treden tegen vossen. Nu een prettige
huishond.
Vachtverzorging:
Regelmatig borstelen houdt de vacht schoon en in goede conditie. Al te vaak
wassen wordt afgeraden, daar de vacht dan slap wordt. Nooit een stalen kam
gebruiken om te voorkomen dat het haar afbreekt. De kuif mag niet geknipt worden
de haren binnen in het oor moeten regelmatig geplukt worden, zodat de oren
schoon blijven. Om de drie maanden kunnen de losse haren uit de vacht worden
geplukt, het haar tussen de voetzooltjes weggeknipt en het staartje in model
worden geknipt. Op deze manier ziet de Aussie er altijd goed uit
( Informatiebron STC )





