Ras: Basset Hound
Oorsprong: Frankrijk
Gehouden als: Jacht en gezinshond
Grootte: 33-38 cm
Gewicht: 20-30 kg
Kleur: Citroen/wit en driekleurig
Vachtsoort: Korte en zachte vacht
Gem. Leeftijd: 12 Jaar
Kenmerken:
- Trieste ogen
- Dikke staart
- Hoofd is groot en lang
- Massieve kop
- Laag en langwerpig lichaam
- Korte en krachtige poten
- Lange oren tot bijna aan de grond
Historie:
De Basset Hound is aan het einde van de vorige eeuw als ras erkend. De Hound
stamt af van andere deels uitgestorven laagbenige jachthonden, zoals die in het
Europa van de zestiende eeuw al bekend waren. (het franse woord "bas" betekent
laag). Tijdens de Franse revolutie zijn vele van
deze oude rassen jachthonden
verdwenen, omdat de adellijke grootgrondbezitters die de kennels en meuten
bezaten werden vervolgd. Het is te danken aan een tweetal Franse fokkers, die na
deze woelige tijden uit de restanten van Franse bassets in het midden van de
vorige eeuw, de basis legden voor de huidige rassen van Franse en Engelse
Bassets.
De Engelsen, die omstreeks 1860 op een franse hondententoonstelling kennis
maakten met deze in ere herstelde jachtenhonden, waren zo verrukt van deze
hounds, dat ze de Basset importeerde in Engeland en verder fokten. De basis
bleek al ras te smal en degeneratie dreigde. Het is de zeer bekwame fokker
Millias geweest, die nieuw bloed invoerde door de kruising met de bloedhond. Het
resultaat van deze kruising is de huidige Basset Hound. Vanuit Engeland zwermde
de Basset Hound over de hele wereld. Alhoewel kleine verschillen in de loop de
tijden optraden tussen de op de verschillende continenten gefokte Basset Hounds
is de standaard zeer stabiel gebleken. In Nederland werd de Basset omstreeks de
jaren dertig geïntroduceerd en is hij, zij het op bescheiden schaal, een
gevierde huisgenoot.
Karakter:
Onder het fraaie uiterlijk van de Basset Hound met zijn waardige blik en
melodieuze stem, die hij nooit overmatig gebruikt, gaat een hart schuil, dat de
ware passie voor de jacht nog bezit. Als meutehond heeft hij van huis uit een
sociaal gevoel, dat in zijn gedrag in het gezin tot uitdrukking komt. Hij neemt
graag deel aan de gezellige dingen in het gezin. Hij is lief, rustig en
aanhankelijk; plezierig en verdraagzaam in de omgang met kinderen en ondanks
zijn misschien wat treurige blik altijd goed gemutst. Hij is trouw en
verstandig. Daarenboven heeft hij in het algemeen een sterk gestel en behoeft
geen overdreven verzorging. U moet echter wel een paar dingen in de gaten
houden, die te maken hebben met dat oude erfgoed van zijn werkende voorvaderen,
wat hij nog niet heeft vergeten. Aan gehoorzaamheid en opvoeding zult u
consequent vanaf de prille puppytijd veel aandacht moeten besteden, meer dan
bijvoorbeeld bij een herder of aanstaande jachthond. Hij verwacht dat ook van u,
die hij als meuteleider ziet. Door dat meutegevoel kan hij ook wat slecht tegen
lang alleen zijn, op een gegeven moment zal hij dat met veel gevoel voor theater
en publiciteit kenbaar maken. Uw buren zullen dat wellicht niet op prijs
stellen.

Een Basset Hound is een hond met een eigen karakter en niet zomaar de "sufferd"
waar sommige mensen hem voor aanzien.
Een Basset Hound is een intelligente hond. Met veel geduld en liefde kunt u de
Basset Hound veel leren.
De Basset Hound beschikt nog steeds over een neus van uitzonderlijke kwaliteit
die hem in staat stelt alle eetbare dingen feilloos te registreren en het tot
zich te eigenen.
De Basset Hound maakt van zijn hart geen 'moordkuil' ! Ongenoegen laat hij graag
horen. Of als u té lang wegblijft, is een ongenoegen plas, of het omkeren van
een afvalbak geen uitzondering! U bent gewaarschuwd!!
Rasstandaard:
Algemene kenmerken:
Een laagbenige hound van aanzienlijke substantie, evenwichtig gebouwd en met
veel adel. Een matig losse huid is wenselijk.
Karaktereigenschappen:
Taaie, vasthoudende hound van zeer oude afkomst die jaagt op de neus met een
meute-instinkt, een diepe melodieuze stem en een groot uithoudingsvermogen in
het veld.
Temperament:
Rustig, nooit agressief of terughoudend. Aanhankelijk.
Hoofd en schedel:
Gewelfd met een lichte stop en een opvallende achterhoofdsknobbel (occiput);
matig breed over het voorhoofd en naar de snuit toe licht smaller wordend. Het
algemene voorkomen van de snuit is slank, doch niet spits. De bovenlijn van de
snuit en die van de schedel, van stop tot occiput, lopen nagenoeg evenwijdig. Er
kunnen lichte rinpels voorkomen op het voorhoofd en naast de ogen. In ieder
geval moet de hoofdhuid zo los zijn dat, als de huis naar voren getrokken of het
hoofd voorover gebogen wordt er duidelijk rimpels onstaan. De bovenlippen vallen
ruim over de onderlippen heen. De neus geheel zwart, behalve bij licht gekleurde
honden waar de neus bruin of leverkleurig mag zijn. De neusvleugels zijn wijd
geopend en mogen iets voorbij de bovenlippen uitsteken.
Ogen:
Ruitvormig, noc
h uitpuilend (bol) noch te diep liggend, donker van kleur, maar
mogen middelbruin zijn bij licht gekleurde honden. De uitdrukking is ernstig en
kalm. Het bindvlies van het onderste ooglid is zichtbaar doch niet overdreven.
Lichte of gele ogen zijn zeer ongewenst.
De oren:
Laag aangezet, juist onder de ooglijn. Lang, reikend tot ruim voorbij de
snuit, van juiste lengte maar niet overdreven, smal over de gehele lengte en
goed naar binnen draaiend, zeer soepel, dun en fluwelig.
Gebit:
Sterke kaken met een perfekt regelmatig en compleet scharend gebit, d.w.z.
de voortanden boven overlappen krap de voortanden onder en staan recht in de
kaken.
Hals:
Gespierd, goed gebogen en vrij lang met uitgesproken, zij het niet overdreven
wam (keelhuid).
Voorhand:
Goed naar achter liggende schouderbladen, schouders mogen niet beladen zijn.
Voorbenen kort, krachtig en zwaar van bot, de ellebogen noch naar binnen noch
naar buiten uitdraaiend, maar goed aanliggend tegen de zijden. Frontaal gezien:
de onderarm licht naar binnen gebogen maar niet zodanig dat de vrije beweging
wordt belemmerd of de voorbenen elkaar raken wanneer de hound staat of loopt, de
voorborst krap passend in de gebogen voorbenen. Overknuckelen is hoogst
ongewenst. Huidrimpels op de onderbenen.
Romp en schoft:
Lang en diep over de gehele lengte. Het borstbeen is opvallend, maar de borstkas
noch nauw noch onnodig diep. Goed geronde wij
dstaande ribben zonder dat ze
uitsteken en goed naar achteren doorlopend. De rug is tamelijk breed en
horizontaal met schoft en achterhand op ongeveer dezelfde hoogte alhoewel de rug
ter hoogte van de lendenen licht gebogen mag zijn. De rug van schoft tot inzet
van de achterhand (croup) niet te lang. Schoft hoogte 33 tot 38 cm.
Achterhand:
Zwaar gespierd en goed gerond, van achteren gezien moet de hound een rond
aanzien hebben (appelvormig). De knieën moeten goed gehoekt zijn. De hielen zo
laag mogelijk bij de grond en iets ondergebogen maar niet naar binnen of naar
buiten gedraaid en juist onder het lichaam geplaatst in natuurlijke stand.
Tussen hiel en voet kunnen rimpels voorkomen en aan het hielgewricht een
huidzakje, gevormd door de losse huid.
Voeten:
De voeten zijn massaal met goed gekromde tenen (katvoeten) en van stevige
voetzolen voorzien. De voorvoeten mogen recht naar voren staan of iets naar
buiten gedraaid maar in ieder geval moet de hond zuiver recht staan, het gewicht
gelijkmatig gedragen door de tenen met aangesloten voetzolen, zodat de afdruk
van de voet gelijk is aan die van een grote hond en buiten de voetzolen geen
deel van de voet de grond raakt.
Staart:
Goed aangezet, d.w.z. bij de aanzet duidelijk het verlengde van de ruggengraat
vormend, tamelijk lang, dik aan de basis en spits toelopend met een matig grove
beharing aan de onderkant. Als de hond loopt wordt de staart goed omhoog
gedragen, licht gebogen (sabelvormig), echter nooit in een krul of vrolijk.
Gangwerk:
Het gangwerk is uiterst belangrijk. Een soepele gang, waarbij de benen goed
uitgrijpen en de achterbenen een krachtig stuwende beweging vertonen en de hound
zowel voor als achter recht gaat. Hielgewrichten en knieën mogen niet stijf zijn
in de beweging en de tenen mogen niet slepen.
Vacht en beharing:
Glad, kort en dicht zonder fijn te zijn. Het algehele aanzicht van de vacht is
glad en vrij van pluimen. Een langharige zachte gepluimde vacht is zeer
ongewenst.
Kleur:
Meestal driekleurig, d.w.z. zwart, wit en bruin of rood en wit
(tweekleurig), maar iedere erkende hound-kleur is toegestaan.
Fouten:
Iedere afwijking van bovenstaande moet als fout worden aangemerkt en de
beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin
de fout zich voordoet.
Opmerking:
Reuen moeten twee duidelijke normale testikels hebben, die volledig in het
scrotum zijn ingedaald.
( Informatie bron Nederlandse Basset Hound Club )






