Ras: Bichon Frisé
Andere naam: Bichon Ténétiffe
Oorsprong: Mediterrane regio
Gehouden als: Gezinshond
Grootte: 30 cm
Gewicht: 4 kg
Kleur: Wit
Vachtsoort: Spiraalvromige losjes hangende haren en de vacht voelt zijdeachtig aan
Gem. Leeftijd: 14 Jaar
Herkomst:
De Bichon a Poil Frise, ofwel Bichon Frise behoort tot de Bichongroep. Welke
bestaat uit de Maltezer, Bolognezer, Havanezer, Coton de Tulear en het
Leeuwhondje. Deze
groep hebben een gezamenlijke oorsprong en komen uit het
Middellandse Zeegebied. Bovendien stammen ze af van de gezelschapshonden die in
vroegere tijden het bestaan van zeelieden moesten opvrolijken. De Bichon Frise
is door het FCI (Federation Cynologique Internationale) erkend als
Frans/Belgisch ras.
Geschiedenis:
Over het ontstaan van de Bichon Frise zijn nogal wat meningverschillen. Het
ras zou afstammen van de Barbet in de Mediterranee. Of het ras zou zijn ontstaan
uit kruisingen met de Maltezer, Bolognezer en kleine witte Poedels. Deze Bichons
werden in de 15e eeuw meegenomen door Italiaanse zeelieden naar het eiland
Tenerife, alwaar deze de naam Bichon Tenerife kreeg. Gedurende de renaissance
werd de Bichon Tenerife naar Frankrijk gebracht. Ook in de 16e eeuw werd het ras
zeer populair en geliefd aan het Spaanse hof. Regelmatig werden hondjes van dit
type veelvuldig door de Spaanse hofschilder Francis Goya y Lucientes op het doek
gezet. Door hun handzame formaat werden deze dan ook gemakkelijk mee onder de
arm overal mee naar toe genomen.Ook waren zij zeer geliefd aan het Franse en het
Engelse hof. In 1789 nam de populariteit van de hondjes af na de Franse
revolutie. Zelfs begin jaren van de 20e eeuw hebben ze als straathondjes
geleefd. Door hun acrobatische kunstjes werden ze door straatmuzikanten en ook
in circussen gebruikt als circushondjes. Toen de Eerste Wereldoorlog was
afgelopen waren er enkele liefhebbers voor het ras in gaan zetten. Er werd een
fokprogramma
opgestart. De officiele standaard werd in 1933 van het ras opgesteld. De naam
Bichon Tenerife werd veranderd in Bichon a Poil Frise. Pas in 1934 werd door het
FCI de Bichon Frise in het Franse Stamboek erkend als Frans/Belgisch ras.
Omstreeks 1979 werden de eerste Bichons Frise in het Nederlanse Stamboek
ingeschreven. In Nederland is de Bichon Frise niet zo populair als in de
Scandinavische landen, Engeland, Australie, Amerika en Frankrijk. In genoemde
landen worden de Bichons in schitterend toilet voorgebracht op
tentoonstellingen. Dit tot in tegenstelling van Frankrijk, die zien liever een
ongekunstelde Bichon Frise.
Het karakter:
De Bichon Frise heeft een zeer vrolijk karakter. Is erg aanhankelijk,
speels, leergierig, nieuwsgierig, intelligent en ook wel ondeugend. De Bichon
Frise houdt van het gezin en wil daar ook van deel uit maken. Is daarnaast een
echte kindervriend, mits deze met respect behandelt. Maar dit geldt natuurlijk
voor alle honden. De opvoeding gaat doorgaans probleemloos. Heeft een hekel om
alleen thuis te blijven en moet op zeer jonge leeftijd worden aangeleerd. Het
liefst ligt de Bichon aan d
e voeten of naast zijn geliefden op de bank. De Bichon Frise is geen waakhond, maar blaft wel als er aan de deur wordt gebeld.
Iedereen die op bezoek komt is welkom, en wordt uitbundig begroet. Ook stelt het
ras geen hoge eisen aan de woonruimte. Door hun vlugge bewegingen houden ze van
ravotten en spelen. Een wandeling in het bos of op het strand is een lust. Door
zijn intelligentie en acrobatische kunsten is het ras ook zeker geschikt voor
deelname aan een cursus Gehoorzaamheid of Behendigheid. Ook is de Bichon Frise
een echte Showhond. Kortom een ideale gezinshond. Verder verhaart het ras ook
niet. Maar de vachtverzorging daarentegen vergt veel onderhoud. Regelmatig
borstelen en kammen is een must. Zo ook de bezoekjes naar de trimsalon om de
vacht in model te laten knippen.
Rasstandaard:
Algemeen voorkomen: Een levendig en speels hondje, vlug in al zijn
bewegingen, met een snuit van middelmatige lengte en spiraalvormig gelokt haar,
dat enigszins overeenkomt met de vacht van een Mongoolse geit. De kop wordt fier
en hoog gedragen, de donkere ogen zijn levendig en hebben een verstandige
uitdrukking.
Hoofd: De schedel is langer dan de snuit, het hoofd is in juiste
verhouding met het lichaam.
Neuspunt: Afgerond, geheel zwart, met een fijne blinkende huid.
Lippen: Fijn, tamelijk aansluitend, maar minder dan bij het Schipperke;
de bovenlip juist hangend genoeg om de onderlip te bedekken zonder daarom zwaar,
noch zichtbaar zijn, en mag het slijmvlies niet laten zien als de muil gesloten
is.
Gebit: Het gebit is
normaal, dat wil zeggen dat de snijtanden van de
onderkaak zich onmiddellijk tegen en achter de snijtanden van de bovenkaak komen
te plaatsen.
Snuit: Mag noch zwaar, noch grof, zonder nochtans te fijn te zijn; de
kaken zijn vlak en niet te zwaar gespierd, de stop is maar even aangeduid. De
groef tussen de wenkbrauwbogen is lichtjes zichtbaar.
Ogen: De ogen zijn donker, met zo donker mogelijke oogleden; ze zijn
eerder rond dan amandelvormig. Zij liggen niet schuin, zijn levendig, niet te
groot en laten het oogwit niet zien. Zij zijn noch groot, noch uitpuilend zoals
bij het Brussels Griffonnetje en bij de Pekingees. De oogholten zijn niet
vooruitspringend en de oogappel mag op geen enkele overdreven wijze
vooruitkomen.
Oren: De oren zijn afhangend, bedekt met lang en fijn gekroesd haar, naar
voren gedragen als zijn aandacht getrokken wordt, echter zodanig dat de voorkant
de schedel raakt en er zich niet schuin van verwijderd. De lengte van de
oorlellen moet niet tot aan de neuspunt reiken, zoals bij de Poedel, maar enkel
tot aan het midden van de snuit komen. De oren zijn minder breed en fijner dan
bij de Poedel.
Schedel: Bij het betasten is de schedel eerder vlak, alhoewel zijn
haarkleed hem gewelfd doet schijnen.
De hals: De hals is tamelijk lang en wordt hoog en fier gedragen. Hij is
rond en fijn in de nabijheid van de schedel, zich geleidelijk verbredend om zich
in de schouder in te schuiven. De lengte is bijna het derde van romplengte (dus
11 centimeter en 33 centimeter voor een hond van 27 centimeter). Het uiteinde
der schouderbladen aan de schoft wordt voor dit laatste als basis aangenomen.
Romp en ledematen:
Schouders: Tamelijk schuin en vlak aanliggend, de indruk gevend van ongeveer
de lengte te hebben van de bovenarm, dus ongeveer 10 centimeter; deze laatste is
dicht bij de borstkas liggend en de elleboogarm mag vooral niet naar buiten
wijken.

Voorhand: De voorarmen zijn recht, van voren af gezien, evenwijdig fijn
botten; de gewrichten zijn kort en recht, echter lichtjes afhellend van de
zijkant af gezien. De nagels zijn bij voorkeur zwart, maar dit is een moeilijk
te bereiken ideaal.
Borstkas: Goed ontwikkeld, de voorborst goed afgetekend, de achterste
ribben goed gerond en niet plotseling verminderend, daar de borst over geheel
haar lengte niet plotseling mag verminderen en een tamelijk grote maat moet
hebben.
De flanken: De flanken daarentegen zijn tamelijk opgetrokken; het vel is
fijn en eerder strak aansluitend, hetgeen een tamelijk hazewindachtig voorkomen
heeft.
Lenden: Breed, gespierd en lichtjes gewelfd. Het bekken is breed, het
kruis iets afgerond. De staart is minder hoog dan bij de Poedel.
Dijen: Breed en gespierd, de hoekingen schuin, de spronggewrichten meer
gehoekt dan bij de Poedel; de voeten goed gesloten.
Staart: Gewoonlijk wordt de staart hoog gedragen en sierlijk over de rug
gebogen, in de richting van de ruggengraat, maar zonder opgerold te zijn. Hij
mag niet afgekort worden en tot de rug niet raken, maar de haarbekleding mag
zulks wel.
Vacht:
Pigmentering: Deze is bij voorkeur donker onder de witte vacht, de
geslachtsdelen zijn dan zwart, blauwachtig of beige gekleurd, gelijk de vlekken
en stippen die men ook op het vel aantreft.
Kleur: Zuiver wit.
Beharing: Fijn, zijdeachtig, losjes spiraalvormig hangend, zoals voor de
vacht van de Mongoolse geit; dus noch plat, noch gekoord; lengte 7 tot 10
centimeter.
Toilet: Het ras m
ag voorgebracht worden met alleen de snuit en voeten
geschoren.
Hoogte: De schofthoogte mag niet meer dan 30 centimeter zijn; de kleinere
maten genieten de voorkeur.
Uitsluiting: De fouten, die uitsluiting tot gevolg moeten hebben, zijn:
boven- en ondervoorbijter, zo erg dat de snijtanden elkander niet meer raken.
Roze neuspunt, vleeskleurige lippen, bleke ogen, cryptorchiden, gerolde of
schroefvormige staart, zwarte vlekken in de vacht.
Te vermijden fouten: Het pigment zich uitbreidend in de vacht en daar
rosse vlekken vormend. De vacht vlak, gegolfd, gekoord of te kort. Monorchiden.
Boven- en ondervoorbijter in een mindere graad dan hierboven beschreven.
( Informatie bron Super Trouper )






