Ras: Bordeaux Dog
Oorsprong: Frankrijk
Gehouden als: Waak en gezinshond
Grootte: Reuen 60-70 cm en teven 58-66 cm
Gewicht: Reuen ong. 50 kg en teven ong. 45 kg
Kleur: Mahonie rood of wildkleur met rood of zwart masker
Vachtsoort: Korte en zachte vacht
Gem. Leeftijd: 9-11 Jaar
Geschiedenis van de Bordeauxdog:
De Bordeauxdog, of zoals men hem heel vroeger noemde Dogue de Breton of
Dogue Français vond zijn oorsprong in een lang verleden. Momenteel zijn onze
hondenrassen in groepen ingedeeld, waarbij de Bordeauxdog valt onder de groep
dogachtigen.
De groep dogachtigen zijn allen breedschedelig met zwaar bot en met gelijke
karaktertrekken. Tot deze groep behoren verder o.a. de Mastino
Napoletano, de
Bull Mastiff, de Mastiff, maar ook de Boxer en Duitse Dog. Uit de historie van
de groep dogachtigen blijkt dat ze al sinds eeuwen een belangrijke plaats bij de
mens innemen. Altijd al stond de hond in dienst van de mens. Hij werd gebruikt
voor de jacht en ter verdediging van huis en hof. Ook al zien we grote
verschillen onderling in deze groep, toch hebben ze ook veel gemeen. We hebben
b.v. grote hoogbenige doggen zoals de Duitse Dog, de zwaarlijvige met zwaar bone
als de Bull mastiff, Mastiff, Mastino Napoletano en de Bordeauxdog, maar ook de
kleine zoals de Engelse
en Franse Bulldog en de Mops. Zij zijn allen terug te herleiden naar twee
oerrassen. Waar die twee oervormen vandaan komen is niet met zekerheid te
achterhalen. Een schrijver verwoordt dit als volgt: "Een raadsel, verborgen in
het stof der eeuwen".
Doggen hebben de mens altijd al vergezeld in oorlogen en veldslagen. Vanuit de
in het wild levende Canissen, hebben ze altijd staande of halfstaande oren
gehad, welke we later tot zeer kort aan de schedel coupeerden ter bescherming
tegen verminking in de strijd. De meeste bekende en gebruikte dog is de oervorm,
de Mastiff. Zij hadden gave, hangende en plat tegen het hoofd gedragen oren.
Reeds op het grafmonument van Esar-Haddon, opgericht te Ninive (640 voor
Christus)
vind men een grote dogachtige hond afgebeeld. Hij was gladharig met een grote
schedel, zware muil en zeer gelijkend op de hedendaagse Mastiff. Deze dog zou
een schofthoogte hebben gehad van meer dan 90 cm. Vergelijkend met de Engelse
Mastiff van rond 1820, moet deze Mastiff van hetzelfde type zijn geweest.
Meer
info...
Rasstandaard:
Algemeen voorkomen:
De Bordeauxdog is een mooie, sterk gelijnde kolos met een zeer sterk
gespierd, harmonisch lichaam. Hij is tamelijk dicht bij de grond gebouwd, dat
wil zeggen dat de afstand borstbeen - grond gelijk of kleiner is dan de
borsthoogte, van voren gezien en gemeten achter de elleboog. De Bordeauxdog
heeft het uiterlijk van een gedrongen atleet, gespierd, imponerend en trots. Als
aloude vechthond is hij geschikt voor de bewaking, een taak die hij met scherpe
oplettendheid moedig maar zonder agressie uitvoert. Hij is erg aanhankelijk aan
zijn baas en erg lief voor kinderen.
Hoofd en schedel:
Hoofd zeer groot, hoekig, breed, redelijk kort en van voren gezien
trapeziumvormig. Bij de reuen is de schedel, gemeten over de grootste breedte,
gelijk aan de schofthoogte. Bij teven iets minder. De vorm van het hoofd en de
breedte zijn het gevolg van de belangrijke ontwikkeling van de slapen,
wenkbrauwen, jukbeenderen en de breedte van de onderkaak. Het schedeldak is
enigszins bol. De stop is abrupt en staat ten opzichte van het neusbeen onder
een bijna haakse hoek (95-100 graden. Het diepe voorhoofd loopt door tot aan de
achterzijde van het hoofd. Net voorhoofd domineert in aangezicht. Het is
belangrijk breder dan hoog. Aan weerszijde van de lengtegroef liggen
symmetrische rimpels. Deze diepe en gewrongen rimpels zijn beweeglijk
afhankelijk van de houding
Fouten:
Klein hoofd, niet in verhouding met de schofthoogte, te lang, te smal,
parallelvorming, rond, ovaal, plat voorhoofd. Geen lengtegroef.
Achterhoofdsknobbel te veel uitspringend. De hoek van de stop ten opzichte van
het neusbeen te scherp of te bot. Aaneengesloten rimpels.
Aangezicht Snuit:
Krachtig, breed, dik, enigszins kort, bovenprofiel iets holrond, ondiepe
huidplooien. In de breedte iets oplopend naar de neus. Van boven af gezien de
vorm van een vierkant. Het neusbeen vormt met het voorhoofd een stompe open
hoek. Wanneer het hoofd horizontaal gedragen wordt, bevindt het afgeknotte, van
onderen dikke en brede eind van de neus zich voorbij een verticale raaklijn die
getrokken is vanaf de voorste deel van de neus. De omtrek is ongeveer twee derde
van de hoofdomtrek. De lengte varieert tussen een vierde en een derde van de
totale lengte, gemeten tussen de achterhoofdsknobbel en de neuspunt.

Fouten:
Te lang, te kort, te smal, niet dik genoeg, neus vooruitstekend, neusbeen,
pafferige snuit.
Neus:
Breed, neusgaten goed geopend, kleur zwart tot bruin, afhankelijk van de kleur
van het masker.
Fouten:
Nauwe neus, smalle neusgaten, vlekjes of haartjes op de neus, zonder pigment.
Kaken:
Zeer krachtig en breed. De hond is ondervoorbijtend. De onderkaak moet minimaal
0,5 cm en maximaal 2 cm uitsteken. Met een gesloten mond mag men de tanden niet
zien.
Fouten:
Boven en onderkaak van gelijke lengte (tanggebit). Schaargebit, bovenvoorbijtend,
onderkaak steekt meer dan 2 cm of minder dan 0,5 cm uit.
Tanden:
Zeer sterk, met sterke voortanden. De voortanden van de onderkaak staan uit
elkaar en zijn licht gebogen. Voortanden staan goed in lijn, vooral die van de
onderkaak die een rechte lijn vormen.
Fouten:
Slecht ontwikkelde tanden, slecht geplaatste tanden.
Lippen:
Bovenlippen dik, matig hangend en intrekbaar. Zij vormen een
ronding om de onderkaak.
Fouten:
Overdreven lang en slap (niet intrekbaar). Te kort.
Wangen:
Uitspringend door een zeer sterke ontwikkeling van de kaakspieren.
Fouten:
Te weinig ontwikkeld, week, droog of dun.
Ogen:
Ovaal, goed uit elkaar staand. De afstand tussen de beide ooghoeken is ongeveer
tweemaal de lengte van het oog. Eerlijke, open blik. Honden met een zwart masker
hebben hazelnootkleurige tot donkerbruine ogen; lichtere kleuren toegestaan,
maar niet gewenst bij honden met een rood masker.
Fouten:
Kleine, ronde, te diep liggende, bolle, te dicht bij elkaar staande en te lichte
ogen of glasogen. Schuwe blik. Zichtbaar bindvlies. Niet acceptabel zijn:
glasogen, vlekken of haartjes op de oogleden.
Oren:
Tamelijk klein, iets donkerder van kleur dan de vacht. Bij de aanzet iets
opgeheven, maar ze moeten, zonder weekachtig te zijn, over de wangen vallen.
Iets afgeronde punt; niet hangend over de ogen. Hoge aanzet, waardoor de breedte
van het hoofd wordt geaccentueerd.
Fouten:
Slappe, te lange, te korte, geamputeerde oren. Te hoge aanzet of te hoog
opgeheven. Staande oren, roos oren, wijduit hangende oren of te laag aangezette
oren.
Hals:
Erg sterk, gespierd,
bijna cylindrisch. Enorme nekomvang, ruim, los en soepel.
De gemiddelde nekomvang is bijna gelijk aan de hoofdomvang. De hals is licht
gebogen en op de grens van hoofd en hals bevindt zich overdwars een grof. En
halskwabben beginnen duidelijk bij de keel en lopen, met plooien, tot aan het
sleutelbeen.
Fouten:
Dunne hals, lange en platte hals. Huid te strak. Halskwabben overdreven hangend.
Lichaam Borst:
Krachtig, diep, breed, lager vallend dan de ellebogen. Krachtige
sleutelbeenderen. Gebogen borstribben. Andere ribben zijn goed gebogen en
aflopend. De borstomvang moet 25 a 30 cm meer bedragen dan de schofthoogte.
Fouten:
Smalle borst, niet diep genoeg. Ribben te plat of te rond als een ton.
Uitgeholde ribben.
Schouders:
Krachtig, zichtbare spieren. Bovenkant schouderblad onder een hoek van 45 graden
ten opzichte van het horizontale vlak. De hoek van het schouderblad ten opzichte
van de opperarm is iets meer dan 90 graden.
Fouten:
Niet voldoende gespierd, te rechte schouders.
Bovenlijn (ruglijn):
Recht, met een brede en gespierde rug. Schoft goed getekend. Lendenen breed,
voldoende kort, stevig. Kruis matig aflopend tot staartaanzet.
Fouten:
Zadelrug, karperrug, zwakke lendenen, kruis te hoog, te bol of te hol.
Staart:
Dik bij de aanzet. De punt mag niet verder reiken dan de sprong. Laag hangend,
diep ingezet. Hangend in rust, verheft zich als de hond in actie is 90-120
graden ten opzichte van de rustpositie.
Fouten:
Weg buigen van achteren gezien, gekort, gebroken, verwrongen, knobbelig. Staande
of krullend. Eindigen in een pluim. De afwezigheid van een staart, zelfs wanneer
dit aan een ongeluk is toe te schrijven is altijd verdacht.
Onderlijn:
Harplijn, vanaf de diepe borst tot aan de opgetrokken stevige buik.
Fouten:
Uitzakkende buik, of ingetrokken buik (windhondenbuik).
Benen Voorbenen:
Sterk bottengestel, zeer gespierde benen.
1. Ellebogen: niet te veel uitstaand, niet te veel naar binnen gebogen.
2. Onderarm: recht, of een ietsje naar buiten gebogen, zodanig dat ze
naar het midden toekomen, vooral bij honden met een zeer brede borst.
3. Middenvoet: sterk, lichtelijk schuin soms naar buiten staand.
4. Voeten: krachtig samengeperst. Gebogen sterke nagels. Voorkeur voor
zeer gepigmenteerde nagels. Voetkussens goed ontwikkeld en soepel.
Fouten:
1. Ellebogen: te veel uitstaand, of te veel naar binnen.
2. Voorbenen: zwak beendergestel, onvoldoende gespierd, onderarm te
veel gebogen.
3. Middenvoet: te veel naar buiten of naar binnen, ineengedrongen.
4. Voeten: ineengedrongen, spreid tenen, hazenvoeten.
Achterbenen:
Dijen goed ontwikkeld en dik met zichtbare spieren. Knieschijf parallel aan
verticale middenvlak of licht naar buiten. Been betrekkelijk kort, gespierd,
laag. Spronggewricht kort. De hoek van het spronggewricht is met mate geopend.
Van achteren gezien geven de goed parallel lopende achterbenen een impressie van
kracht, ondanks de minder brede achterhand.
Fouten:
Dijen te plat en mager. Knieschijf te veel naar buiten of te veel naar binnen
gericht. De hoek van het spronggewricht te scherp of te groot. Hubertusklauwen.
Gewicht:
· Reuen: minimaal 50 kilo.
· Teven: minimaal 45 kilo.
Teven hebben over het algemeen hetzelfde karakter als de reuen, maar iets minder
geaccentueerd.
Vacht:
Eenkleurig, mahoniekleur of wildkleurig. Een goede pigmentering is te
prefereren. Een witte borstvlek en witte aftekeningen aan de voeten zijn
toegestaan, mits deze niet te groot zijn. Fijn. Kort en zacht haar.
Fouten:
Witte vlek op het gezicht, witte vacht. Wit of vlekkerig op het lichaam of op de
staart. Grof haar, lang haar. Gekruld haar.
Afmetingen:
De hoogte van een Bordeauxdog moet ongeveer gelijk zijn aan de omvang van het
hoofd.
· Reuen: 60-68 cm schofthoogte.
· Teven: 58-66 cm schofthoogte.
De omvang van het hoofd wordt gemeten voor de oren over de grootste breedte. Het
hoofd horizontaal, de halsplooien niet meemeten. De borstomvang wordt gemeten 1
cm van de ellebogen over de grootste breedte. Deze metingen moeten een zo soepel
mogelijk en voldoende breed meetlint worden verricht
( Informatie bron Bordeauxdog homepage )






