Ras: Cane Corso
Oorsprong:
Italië
Gehouden als:
Beveiligings en gezelschapshond
Grootte:
Reu: van 64 tot 68 cm; teef: van 60 tot 64 cm.
Gewicht:
Reu: van 42 tot 50 kg, teef: van 38 tot 45 kg.
Kleur:
Verschillende kleuren o.a. zwart, geel en rood
Vachtsoort:
Korte dichte en ruwe vacht
Gem. Leeftijd:
Onbekend

Nieuwe pagina 1

Afkomst en gebruik:
De Cane Corso is van origine een Italiaanse hond. Cane betekent hond en Corso is, zo neemt men aan, een verbastering van het Griekse woord Cortos, dat binnenhofbescherming betekent. Het ras heeft zijn naam dus niet te danken aan een speciale verbintenis met Corsica, zoals vaak wordt beweerd. De uitspraak van het woord Cane wordt ook nog wel eens verkeerd gebezigd, naar het Engels waarschijnlijk. "Kene" is dus fout. "Kane" is juist.
De oorsprong van de Cane Corso ligt in een ver verleden. De basis is de Canis Pugnax. Deze kwamen voort uit de strijdhonden (oorlogshonden) van de Molossers, die woonden in Zuid-Albanië en Griekenland. We praten nu over de vierde eeuw voor Christus. In 1200 werd de Cane Corso voor het eerst beschreven in de Italiaanse literatuur.
Het ras werd destijds al voor veel doeleinden gebruikt. Een hond, zeker een grote, moest nu hebben om te overleven. De Cane Corso was met name populair bij boeren, slagers, veldwachters en jagers.
De boeren hadden een hond nodig die op hun erf een oogje in het zeil hield. Een boerenbedrijf bestond vaak uit landbouw en veeteelt. Hierbij hielp de Cane Corso. Uiteraard werd het niet gewaardeerd wanneer hij overdreven agressief was. Italianen zijn een sociaal volk en komen veel bij elkaar over de vloer. Ook binnen het, meestal kinderrijke, gezin met opa's en oma's behoorde de Cane Corso een betrouwbare metgezel te zijn. Naar vreemden moest de Cane Corso argwanend zijn en, bij afwezigheid van de baas, zelfstandig kunnen optreden.
De slagers gebruikten de Cane Corso onder meer bij het opdrijven van vee (meestal alleen de stieren) naar het slachthuis.
De jagers gebruikten de Cane Corso vooral voor het opsporen en opdrijven van wilde varkens. Vooral de lichte kleur Cane Corso's werden hier specifiek voor gebruikt om voldoende af te steken ten opzichte van het zwarte wild, zodat men niet per ongeluk elkaars honden dood schoot.
De veldwachter (vanaf de middeleeuwen) had de Cane Corso voor de bescherming van zijn eigen persoon, bijvoorbeeld tijdens het aanhouden van stropers, struikrovers en ander gespuis. De veldwachter gebruikte de donkere Cane Corso. Deze waren meer geschikt voor de bewaking en, vanwege het verrassingseffect, 's nachts; een donkere hond is indrukwekkender om te zien.
Door modernisering, vooral van het boerenbedrijf, werd de noodzaak van het houden van Cane Corso's aanzienlijk minder en zakte hun aantal drastisch. Het ras werd echter in stand gehouden door boeren, jagers en herders in de afgelegen streken van Zuid-Italië. Daar werd de Cane Corso als het ware herontdekt en werd een fokprogramma opgezet door dr. Paolo Breber, opdat het ras en daarmee een stuk Italiaanse cultuur niet verloren zou gaan.

Heden en Toekomst:
De huidige Cane Corso is een betrouwbare, sportieve hond. Aan nieuwe eigenaren moeten wel enkele eisen gesteld worden. Ervaring met honden, het liefst met Dogachtigen, is zeker gewenst. De Cane Corso is een zelfstandige hond. Hij is gek op zijn baas, maar vindt het ook leuk om er alleen op uit te gaan. Een geode band tussen baas en hond is nodig om de Cane Corso onder appèl te houden. Een goede socialisatie is dan ook een eerste vereiste. Begeleiding vanuit een professionele hondenschool (bijvoorbeeld bij een kynologenclub) is aan te raden. Werkdrift zit gelukkig nog steeds in het bloed van de Cane Corso. Binnen de hondensport zie ik geen belemmeringen voor dit ras.
Een Cane Corso is een vriendelijke huishond en een perfecte kameraad van het gezin, maar ook een hond van een ras dat twintig jaar geleden nog de schaapskuddes en boerenerven bewaakte. Uiteraard zijn er met gericht fokken de scherpe kanten wel af te halen.
In Nederland is de Cane Corso populatie nog klein, anno 1999 zo'n driehonderd honden. De fokbasis is erg smal. Daarbij komt dat het Cane Corso bestand nog geen homogeen geheel is. Velen denken dat de Cane Corso zijn heterogeniteit te danken heeft aan het inkruisen van andere rassen bij het herstel van het ras. Dit is echter niet waar. In het thuisland van de Cane Corso heeft elke streek zijn eigen type ontwikkeld. Er was wel een gemene deler aangaande het uiterlijk maar functionaliteit stond uiteraard voorop. Heden ten dage kijken we meer naar het uiterlijk. De functie heeft men in het algemeen allang vergeten, met alle vervelende gevolgen van dien. De Italianen zeggen dat ze uit de populatie Cane Corso wel drie verschillende rassen hadden kunnen halen. Vandaar ook het belang om zoveel mogelijk het rastypische Cane Corso's te fokken.
Ik heb zelf echter al de nodige verschillen zien ontstaan binnen Europa. De Cane Corso's uit de Oost-Europese landen zijn grote, forse, indrukwekkende honden met vaak een te lange snuit en soms zelfs een scharend gebit.
Ik hoop, en eerlijk gezegd verwacht ik, dat de keurmeesters de komende jaren een duidelijke lijn zullen ontwikkelen in hun keuringen. Ook voor de rasvereniging ligt hier een belangrijke taak. Door het organiseren van meetings en clubmatches met kundige keurmeesters, het opzetten van fokvoorwaarden zoals HD controle door de WK Hirschfeld Stichting en een pupinfo waarin alleen puppen komen die aan de fokvoorwaarden van de rasvereniging voldoen.


Rasstandaard:

Algemene verschijning:

Middelgrote hond, fors, sterk doch elegant gebouwd, droog met sterke, lange spieren.

Belangrijke proporties:
De lengte van het hoofd bereikt 36% van de schofthoogte. De bouw van de hond is eerder lang dan hoog te noemen.

Gedrag en karakter:
Als bewaker van eigendommen, de familie en het vee heel levendig en snel reagerend, werden ze in het verleden gebruikt bij het vangen van runderen en bij de jacht op groot wild.

Hoofd:
Breed, typisch molosserachtig, de bovenste lengte-assen van de schedel en van de vang lopen grotendeels gelijk. De schedel is breed bij de jukbeenderen: de breedte is gelijk aan of groter dan de lengte van de schedel. Gewelfd voorhoofd met een goed gemarkeerde stop, die naar het achterhoofd tamelijk vlak wordt. Zichtbare plooi middenvoor. De neus is groot en zwart met wijde, open neusgaten en loopt parallel met de neusrug.

Vang:
Duidelijk kort ten opzichte van de schedel (verhouding: schedel 66%, vang 34%), zeer sterk, met uitgesproken vierkante, platte voorkant van het hoofd en gelijke verhoudingen aan de zijkanten van het hoofd, even lang als hoog. Het profiel van de neusrug is recht. De bovenlippen, licht loshangend, bedekken de onderkaak zodanig, dat het onderste deel van het profiel gedomineerd wordt door de lippen. Brede en forse bovenkaak, nogal gebogen.

Ogen:
Middelgroot, ovaal van vorm, naar voren geplaatst en licht uitpuilend. Aansluitend ooglid. Kleur van de iris zo donker mogelijk, afhankelijk van de kleur van de vacht. Intelligente en waakse blik.

Oren:
Driehoekig, hangend, met brede inplant, hoog geplaatst boven de jukbeenboog. In Italië worden de oren gecoupeerd tot korte driehoek.

Hals:
Sterk, nogal droog, gespierd, even lang als het hoofd.

Romp:
De romp is sterk gebouwd, maar niet gedrongen. De voorhand is fors en overschrijdt het niveau van de achterhand. De rug is recht, zeer gespierd en gespannen, de lende is kort en solide, de achterhand is lang en breed, licht schuin aflopend. De borstkas is goed ontwikkeld en loopt af naar de elleboog.
De staart is hoog ingeplant, breed bij de inplant, en wordt gecoupeerd bij de vierde wervel. In actie wordt de staart geheven, maar nooit recht omhoog gedragen.

Voorste ledematen:
De schouder is lang, schuin en zeer gespierd. De opperarm is sterk, de onderarm recht en zeer sterk. De middenhand en middenhandsbeentjes zijn droog en elastisch, voet als een kat.

Achterste ledematen:
Bovenbeen is lang, breed en achterwaarts gewelfd. Het been is droog en sterk, de enkel matig gehoekt, middenvoetsbeentjes dik en droog. De voeten zijn iets minder compact dan de voorvoeten. De huid is dik en sluit strak aan op de onderliggende lagen.

Vacht:
Korte vacht (niet gladgeschoren), glanzend, erg dicht met lichte ondervacht.

Kleur:
Zwart, loodgrijs, leisteen, lichtrood (formentino), donkerrood, gestreept. De lichtrode exemplaren hebben een donker masker.

Schofthoogte:
Reu: van 64 tot 68 cm; teef: van 60 tot 64 cm. (Afwijkingen van 2 cm zowel naar boven als beneden toegestaan)

Gewicht:
Reu: van 42 tot 50 kg, teef: van 38 tot 45 kg.

(Informatie bron Cane Corso Club )