Ras: Engelse Springer Spaniel
Oorsprong: Groot-Brittannië
Gehouden als: Jacht en gezinshond
Grootte: 48-51 cm
Gewicht: 22-24 kg
Kleur: zwart/wit en leverkleurig met wit
Vachtsoort: Glad, dicht en waterafstotend
Gem. Leeftijd: 12-14 Jaar
Kenmerken:
- Platte wangen
- Lobvormige oren
- Lange bevedering aan poten
- Afgeronde schedel
- Compact en sterk lichaam
Herkomst: De oudste van alle jachthondenrassen. Oorspronkelijk kwamen onze tegenwoordige Spaniel-rassen onder één naam voor: 'Spaniels'. In de 18e eeuw had men de Spaniels in twee groepen verdeeld: de Springing Spaniels en de Setting Spaniels. De eerste groep stootte het wild uit de dekking op ('to spring the game'), de tweede liet zich met het wild onder het net vangen. Uit de Springing Spaniels ontstonden de Welsh Springer Spaniel in Wales en de Engelse Springer Spaniel. Het ras werd in 1902 erkend.
Algemeen Voorkomen: Middelgrote, symmetrisch gebouwde, compacte, sterke hond, gebouwd op uithoudingsvermogen en werk. Van alle Landspaniels staat hij het hoogst op de benen en is het meest gebouwd op kracht en snelheid.
Vacht: Dichte, rechte en waterbestendige vacht die nooit hard mag zijn. Matige bevedering aan oren, benen en lichaam. Kleur: leverkleurig en wit en zwart en wit, al dan niet met bruine aftekeningen.
Gebruik: Gebruikt voor de jacht voor de voet, waarbij hij het wild opspoort en opstoot uit de dekking en het na het schot apporteert. Werkende honden stammen meestal uit zogenaamde werklijnen.
Gezondheid: Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie en erfelijke oogaandoeningen.
Aard: Vriendelijk, vrolijk, gehoorzaam. Nooit agressief of angstig.
Bijzonderheden: De vacht moet regelmatig geborsteld en gekamd worden en enkele malen per jaar getrimd worden, waarbij het dode haar op het hoofd en de rug met de hand wordt verwijderd, en het haar aan de staart en de voeten wordt bijgeknipt.





